Aad Verbaast

te gek voor woorden eigenlijk

Tag archief: vroeger

Vroeger was alles anders (2/2)

oudjes2

“Vroeger was alles beter” hoor je wel eens iemand verzuchten. Maar ja, zou je terug willen naar die tijd? En hoeveel “vroeger” is dat dan? In dit blog zomaar weer wat statistieken waar ons leventje nu wordt vergeleken met pakweg 50 jaar geleden. Om even bij stil te staan. De lezer mag dan bedenken of het er beter op is geworden of niet. Op deze onderwerpen althans.

Verkeer.
In 1966 reden er 522.000 auto’s op de weg. Minder dan in het jaar 2012 (nog in ‘de crisis’) werden verkocht! Dat waren er nog altijd 555.000.
8 miljoen auto’s telt Nederland nu.

In 1956 vielen er 1600 verkeersdoden. Het verkeer is sindsdien wel een heel stuk veiliger geworden. In 2013: 570 verkeersdoden. Ondanks de enorme toename van het aantal auto’s.

In 1978 had Nederland 9.300 kilometer aan fietspaden. Nu is dat 32.000 kilometer.
In 1950 peddelden we 10 miljard fietskilometers.
In 1960 17 miljard fietskilometers.
In 1970: 9 miljard fietskilometers. De auto wint aan terrein!
Maar in 2013 is dat toch al weer al weer gegroeid naar 14,8 miljard.

Trein: 1985: 8,7 miljard reizigerskilometers. In 2012 opgelopen naar 17,1 miljard.

Schiphol verwerkte 1 miljoen reizigers in 1959. In 1984 al 10 miljoen. In 1993: 20. In 2013 gegroeid naar meer dan 50 miljoen.

In 1950 ging slechts 18% van de mensen op vakantie. Meest in Nederland.
In 2012 ging 80% op vakantie. Gemiddeld zelfs drie keer per jaar.
En 75% (van die 80%) minstens één keer naar het buitenland.

Gezondheid.
In 2012 worden mannen gemiddeld 15,3 jaar ouder dan in 1950. Vrouwen 16,7 jaar.
De gemiddelde leeftijd van mannen in 2012 is 74,6. Van vrouwen: 79,9.

In 1960 had 1 op de 3 Nederlanders een kunstgebit. Nu is dat 1 op de 10.
Het aantal tandartsen is van 1591 in 1950 gegroeid naar 8000 in 2011.

In 1972 besteedden we 8,8% van het BNP aan gezondheidszorg. In 2012 is dat gegroeid naar 15,4%.

Sociale zekerheid.
De werklozenwet werd ingevoerd in 1949
De Ziektewet in 1952
De AOW werd ingevoerd in 1956.
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering: 1966
AWBZ: 1968

Boeren.
In 1950 werkten er 500.000 mensen in de landbouw. In 2011 waren er dan nog maar 139.000.
Maar de productie is nu wel 5 keer zo hoog als toen! Dat is 20 keer zo veel productie per persoon.

In 1950 waren er 410.000 agrarische bedrijven. In 2011 afgenomen tot 71.000.

Arbeidsparticipatie.
Het deel van de mannen dat werkt is vrij constant: 80%.
In 1970 werkten 30% van de vrouwen. In 2008 al opgelopen tot 62%.

In 1960 kende Nederland 4,2 miljoen arbeidsjaren. In 2010 opgelopen tot 6,7 miljoen.
Voornamelijk in de dienstensector. 55% in 2011. In 1960 was dat nog maar 22%.
Industrie was toen de grootste sector. In 1960 34,9%. In 2010 was nog maar 12,4%.

Ach zo maar wat algemene statistieken. Die ik heb overgenomen uit het boek Gouden jaren, waarin de auteur beschrijft “hoe ons dagelijks leven in een halve eeuw onvoorstelbaar is veranderd”.

Met dit blog, in combinatie met deel 1 is dit boek in zijn geheel samengevat (wat de statistieken betreft). Het hele boek lezen kan ik de lezer zeker aanbevelen. Leuk verhalen, beschrijvingen, sfeerplaatjes. Een aanrader. Het leven laat zich immers vooral niet enkel beschrijven in statistieken.

 

 

P.S.: Plaatje is een uitsnede uit “meegaan met je tijd” van Marius van Dokkum.  Ook al zo’n aanrader.

Vroeger was alles anders (1/2)

20110104 PGB

“Vroeger was alles beter” hoor je wel eens iemand verzuchten. Maar ja, zou je terug willen naar die tijd? En hoeveel “vroeger” is dat dan? In dit blog zomaar wat statistieken waar ons leventje nu wordt vergeleken met pakweg 50 jaar geleden. Om even bij stil te staan. De lezer mag dan bedenken of het er beter op is geworden of niet. Op deze onderwerpen althans.

Sinds 1948 is het inkomen per hoofd van de bevolking verviervoudigd. Dat is trouwens meer dan het dubbele van de groei in de alom geroemde Gouden Eeuw.  Met grote gevolgen uiteraard.

Voedsel was heel lang de grootste uitgavenpost. In 1900 zakte dat voor het eerst onder de 50% van het inkomen. In 1960 was dat nog 1/3. En in 1980: 16%.
In 2011 nog maar 11%. Niet omdat we minder eten, maar omdat het vrije besteedbare inkomen veel hoger is.

We zijn wel heel anders gaan eten.
Meer vlees. 1950: 48 gram per dag. Nu 116 gram per dag.
Iets minder groente: 181 gram per dag. Nu 164 gram per dag.
Veel minder aardappelen. 1950: 356 gram per dag. Nu 233 gram per dag.
Veel minder brood: 1850: 183 kilo per jaar! 1951: 102 kilo. 2010: 58 kilo.
Met veel meer kaas er op: 50 gram kaas per dag. In 1950 was dat 14 gram.

Luxer dus. Ook met grote gevolgen. In 1991 was 39% van de mannen en 31% van de vrouwen te dik. In 2011 is dat uitgegroeid tot 54% van de mannen en 43% van de vrouwen.

Wonen. In 1950 hadden we gemiddeld per persoon 16 vierkante meter tot onze beschikking om in te wonen. In 2011 is dat uitgebreid naar 39 vierkante meter.

In 1950 had 80% van de bevolking stromend water in het huis..
In 1956 had nog maar 30% van de huizen een aparte ruimte waar je kon douchen of badderen.

De gemiddelde huisvrouw besteedde in 1964 9,5 uur per doordeweekse dag aan het huishouden. Op zaterdag 8,5, en op zondag altijd nog 4,5 uur.

In 1964 stookte 75% van de huishoudens met een kolenkachel.
96% had al wel een stofzuiger. Hard nodig met al dat kolenstof in huis.
75% van de huishoudens had een elektrische wasmachine.

In slechts 3% van de huishoudens stond een koelkast in 1957.
Dat groeide naar nog maar 19% in 1962. In 1972: 88%.

Scholing is ook drastisch veranderd. De gemiddeld leeftijd waarop kinderen de school verlaten is van 16,4 jaar in 1950 opgelopen naar 20,6 jaar in 2000.

In 1945 waren er 22.000 universitaire studenten. In 2012: 240.000.
In 1980 (lijkt nog niet eens zo lang geleden) was 3% academisch gevormd. In 2012 opgelopen naar 10%.

In 1980 studeerden er 48.000 vrouwen en 107.000 mannen aan de universiteit.
In 2012 studeren er voor het eerst meer vrouwen dan mannen aan de universiteit: 123.000 versus 117.000.

Bellen is ook zo iets wat helemaal niet meer te vergelijken is. Vroeger draaide je nog letterlijk een nummer.. Vegen maar dan anders..

In 1956 had 16% van de huishoudens een telefoon. Dat liep op naar 22% in 1960. 45% in 1970. En (nog maar) 83% in 1979.

In 1955 waren er 700.000 vaste (andere waren er niet) telefoonaansluitingen. Meest zakelijke trouwens.
In 1995: 8 miljoen. In 2014: 6 miljoen. Lager door de explosieve opkomst van de mobiele telefoon.

In 1999: al 5 miljoen mobiele aansluitingen. Wat opgelopen is naar 20 miljoen in 2014. Ruim meer dan er mensen in Nederland wonen.

Televisie kijken? Voor 1951 bestond dat nog niet in Nederland. In dat jaar werd er voor de eerste keer beeld uitgezonden.

In 1959 waren er 500.000 televisietoestellen geregistreerd in Nederland. Twee jaar later al 1 miljoen.
In 1965 had 68% van de huishoudens een televisie, 1969 al 83%.

In 1957 werd er slechts 12 uur per week televisie uitgezonden. Er was 1 zender.
In 1961 werd dat 24 uur per week. 1971 : 80 uur per week, inmiddels op 2 zenders.
In 1988 werd pas het derde net in Nederland geïntroduceerd..

Ach zo maar wat algemene statistieken. Die ik heb overgenomen uit het boek “Gouden jaren“, waarin de auteur beschrijft “hoe ons dagelijks leven in een halve eeuw onvoorstelbaar is veranderd”. Een aanrader.

Met dit blog ben ik halverwege het boek. Deel 2 (het vervolg) vind je hier: https://aadverbaast.wordpress.com/2015/07/27/vroeger-was-alles-anders-22/