Aad Verbaast

te gek voor woorden eigenlijk

Tag archief: steenrijk

Loverboy Abram wordt steenrijk door list en bedrog

Tissot_Sarai_Is_Taken_to_Pharaoh's_Palace

Afl 9. uit de serie: Omtrent Het Oude Testament. Abram (inmiddels 75) kwam met zijn gevolg aan in Kanaän. God stond hem al op te wachten: “Aan uw nakomelingen zal Ik dit land in bezit geven.” (Gn 12:7). Abram richtte een altaar op als dank, maar trok toch maar verder richting Negeb.

Geen gelukkige keuze overigens. “Hongersnood”! (Gn 12:10), dan maar naar Egypte.
Net voordat Abram Egypte binnentrok verzon hij een list.

Abram zie tegen zijn vrouw (en halfzus) Sarai: “Luister eens, ik weet dat je een mooie vrouw bent. Als de Egyptenaren je zien en denken dat je mijn vrouw ben, zullen ze mij vermoorden en jou in leven laten. Zeg liever dat je mijn zus bent; dan zal ik het er goed afbrengen en om jou in leven blijven.” (Gn 12:11-13)
De farao (zich van geen kwaad bewust) nam die bloedmooie vrouw op in zijn harem. “Omwille van haar behandelde hij ook Abram goed en schonk hem schapen, runderen en ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen.” (Gn 12:16)

Hoe haal je het in godsnaam in je hoofd je vrouw ‘uit te lenen’? Voor eigen gewin ook nog eens?

Op zich mooi toch van die farao? Abram had er ook al geen moeite mee. Maar God dacht daar heel anders over. En “.. bracht de farao en zijn hovelingen zware slagen toe om wat er gebeurd was met Sarai..” (Gn 12:17)

De geteisterde farao kwam natuurlijk achter dit verachtelijke opzetje. Pissig geworden (logisch), zette hij Abram het land uit, en terecht!

Inmiddels was Abram daar wel steenrijk geworden en mocht alles ook nog eens meenemen van die (te) goede farao. Kom er nog maar eens om. De pluk-ze-wet bestond nog niet.

Terug naar de Negeb. “Abram was een rijk man die heel veel vee, zilver en goud bezat.” (Gn 12:2).

Ik ben wederom met stomheid geslagen. Lover-boy Abram beschermen, en onschuldigen die zich van geen kwaad bewust waren bestraffen. Hoe bedenk je het!

Maar nee hoor. God beloont zijn criminele oogappel nogmaals.

Weer in Kanaän aangekomen zei God tegen Abram: “Laat uw blik rondgaan.. Al het land dat u ziet, schenk ik aan u en aan uw nageslacht, voor altijd. Ik zal uw nakomelingen zo talrijk maken als het zand op de aarde… Ga het hele land door in de lengte en de breedte want ik schenk het aan u!” (Gn 14:14-17)

En alsof dat allemaal nog niet genoeg was, zie God weer wat later (na wat gebeurtenissen die ik de lezer zal besparen): “Vrees niet, Abram, ik zal uw schild zijn. Uw loon zal zeer groot zijn.” (Gn 15:1).

Maar ja, die Abram was ook niet op zijn achterhoofd gevallen. Sluw zakenmannetje en onderhandelaar immers.
“Heer God, wat heb ik aan uw gaven?” (Gn 15:2) “U hebt mij geen nakomelingen geschonken, en een ondergeschikte zal mijn erfgenaam zijn” (Gn 15:4). Quelle horreur!?

Maar die God weet van geen ophouden. “Kijk naar de hemel en tel de sterren..Zo talrijk zal uw nageslacht zijn.” (Gn 15: 5).
En alsof dat allemaal nog niet genoeg was sloot hij weer een verbond met Abram:
“Aan uw nakomelingen schenk ik dit land, vanaf de beek van Egypte tot aan de Grote Rivier de Eufraat, het gebied van de Kenieten, Kennizzieten, Kadmonieten, Hethieten, Perizzieten, Refaïten, Amoerieten, Kannaänieten, Girgasieten, en Jebusieten.” (Gn 15:18-21)
Niet direct een volkstuintje.

Die extra buit was al weer binnen. Kost wat maar dan heb je ook wat.

Hoe die ontelbare nakomelingen er dan toch kwamen (Sarai was immers “onvruchtbaar”)?

Daarover een volgende keer..

 
P.S. Binnenkort deel 10. Gods tweede verbond: de besnijdenis
P.S.: plaatje komt hier vandaan
P.S. alle verschenen blogs in deze serie zijn te vinden in de rechterkolom onder het kopje: “Omtrent het Oude Testament”